De veranderingen van de Omgevingswet

De veranderingen van de Omgevingswet

Door: Kees van Alphen, docent omgevingsrecht van Bestuursacademie Nederland
Als ik tegenwoordig bij gemeenten langskom om cursussen te geven over de komende Omgevingswet, hoor ik vaak bij aanvang al een opmerking als: “Ja, we hebben al enkele bijeenkomsten over de Omgevingswet achter de rug, maar kunt u ons nu eindelijk eens duidelijk maken wat er wezenlijk verandert ten opzichte van de huidige praktijk?“

Deze vraag wordt vooral gesteld door mensen die zich bezighouden met de uitvoering van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bij het maken van bestemmingsplannen moeten zij voldoen aan bijvoorbeeld de wettelijke eisen van een Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). Het bestemmingsplan moet hierbij zowel uitvoerbaar zijn als voldoen aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. De voorbereidingen van het maken van een bestemmingsplan kost dan ook veel tijd en geld. Als het bestemmingsplan sneuvelt bij de Raad van State, moet het werk ook nog eens geheel of gedeeltelijk opnieuw worden gedaan. 

Naast deze planpraktijk staat de praktijk van de vele zogenoemde principe-verzoeken. Dit zijn initiatieven die afwijken van een geldend bestemmingsplan en waaraan medewerking wordt verleend door met een vergunning van het bestemmingsplan af te wijken of met een herziening van het bestemmingsplan, een postzegelplan. Weliswaar worden de kosten voor deze afwijkingen zo veel mogelijk in rekening gebracht bij de initiatiefnemer, maar het blijft een arbeidsintensief proces voor de gemeente.  Nu wordt er in het kader van de Omgevingswet wel gepropageerd dat we deze initiatieven straks welwillender tegemoet moeten treden: "ja mits" in plaats van "nee tenzij". Maar een beetje ingewijde weet dat dat in de huidige praktijk ook al het geval is. Wat is dan het verschil met de nieuwe Omgevingswet? Een terechte vraag lijkt me.

Deze praktijk wijzigt dan ook niet. Met de komst van de Omgevingswet is de toetsing van initiatieven nog steeds aan de orde van de dag. Sterker nog, dat is de regel onder de Omgevingswet. Het Omgevingsplan is eigenlijk een misleidende term, want het is een regeling voor de beoordeling van initiatieven. Het is een verordening en geen plan dat beoogt in een blauwdruk de ruimtelijke ontwikkeling vast te leggen. Een omgevingsplan kan dan ook niet worden vergeleken met een globaal bestemmingsplan in de huidige Wet ruimtelijke ordening.  Het Omgevingsplan heeft een andere betekenis en een veel bredere reikwijdte, omdat het in principe alle regels over de fysieke leefomgeving omvat.

Het is dan ook terecht dat de vraag wordt gesteld wat er verandert door de komst van de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet wordt toetsing van initiatieven tot hoofdregel verheven. We maken geen dure bestemmingsplannen meer. Waar we wel gevoel voor moeten krijgen, is de wijze waarop een Omgevingsplan straks moet worden opgesteld, waarmee moeten we rekening houden en aan welke eisen moet het Omgevingsplan voldoen?

De VNG heeft in het kader van het programma ‘Aan de slag met de Omgevingswet’ het interbestuurlijke project ‘Handvatten voor het omgevingsplan’ geïnitieerd, dat modellen en voorbeelden voor omgevingsplannen ontwikkelt. Deze worden wel bouwstenen en staalkaarten genoemd.  De bedoeling is om elf staalkaarten te ontwikkelen van ­gebiedstypen waarmee gemeenten aan de slag kunnen bij hun omgevingsplannen. Wellicht wordt voor velen dan pas duidelijk wat de Omgevingswet daadwerkelijk gaat betekenen voor hun dagelijkse werk.